Gerechtigheid voor slachtoffers van Gaza-conflict in waagschaal
Een jaar na het Goldstone rapport veroordeelt Amnesty International dat er nog steeds geen rekenschap werd afgelegd. De hoop op gerechtigheid ligt in de waagschaal.
Een jaar geleden besloot de 'United Nations Fact-Finding mission on the Gaza conflict' in haar rapport dat zowel Israël als Palestijnse gewapende groepen zich schuldig maakten aan oorlogsmisdaden en mogelijk ook aan misdaden tegen de mensheid en andere ernstige schendingen van het internationaal recht, gedurende het conflict in Gaza en zuidelijk Israel in 2008-2009. Een jaar later is er nog steeds geen gerechtigheid voor de slachtoffers.
De Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties moet in haar huidige sessie, die begon op 13 september 2010, het rapport van de Commissie van Deskundigen evalueren. Deze commissie werd in maart 2010 door de Mensenrechtenraad aangesteld om na te gaan welke stappen de Israëli’s en Palestijnen hebben ondernomen in hun onderzoeken naar de misdaden die hun eigen strijdkrachten zouden begaan hebben. De Commissie moet ook de omvang en de doeltreffendheid van deze onderzoeken evalueren.
Amnesty International meent dat de Mensenrechtenraad moet overwegen om het internationaal strafrecht zijn werk te laten doen, als uit het rapport van de Commissie blijkt dat geen van beide partijen degelijk onderzoek hebben gedaan, of stappen hebben gezet naar gerechtigheid en rekenschap voor de misdaden van hun strijdkrachten. Uit Amnesty’s eigen evaluatie van de onderzoeken blijkt dat dit inderdaad het geval is.
Het rapport van de Onderzoeksmissie voorgezeten door rechter Richard Goldstone gaf de Israëlische regering en de overheid in Gaza zes maanden de tijd om correcte onderzoeken in te stellen. De Mensenrechtenraad en de Algemene Vergadering van de VN riepen beide partijen op om onafhankelijke en geloofwaardige onderzoeken te voeren, die voldoen aan internationale normen.
Op basis van de beschikbare informatie kan Amnesty International besluiten dat Israël noch de de facto Hamas-regering hun verplichtingen zijn nagekomen wat betreft het uitvoeren van de onderzoeken en het engagement om de verantwoordelijken voor misdaden te vervolgen.
Als dit wordt bevestigd door de Commissie van Deskundigen moet de Mensenrechtenraad besluiten dat beide autoriteiten hun kans verkeken hebben om zelf in te staan voor gerechtigheid voor de slachtoffers van het conflict. Diezelfde Mensenrechtenraad moet dan haar steun geven aan oplossingen op internationaal niveau, met inbegrip van de mogelijke inschakeling van het Internationaal Strafhof.
Israël noch de Palestijnse autoriteit hebben het statuut van Rome over het Internationaal Strafhof geratificeerd. Toch verklaarde de Palestijnse minister van justitie in naam van de Palestijnse Nationale Autoriteit aan het Internationaal Strafhof dat hij de jurisdictie van het hof aanvaardt voor misdaden “begaan op Palestijns gebied sinds 1 juli 2002”. De verklaring zou kunnen slaan op alle misdaden waarvan sprake in het rapport van Onderzoeksmissie.
Een aantal vooraanstaande specialisten in international recht hebben gesteld dat de Palestijnse Autoriteit een dergelijke uitspraak mag doen, ook al bestaat er onenigheid over de vraag of Palestina al dan niet als een staat mag beschouwd worden.
Als het rapport van de Commissie van Deskundigen bevestigt dat de plaatselijke autoriteiten niet bereid of in staat zijn de misdaden echt te onderzoeken en zij de daders niet kunnen of willen vervolgen, dan zou de aanklager van het Internationaal Strafhof een officieel juridisch antwoord moeten vinden op de vraag of het Internationaal Strafhof rechtsmacht heeft of niet.
Indien wel, dan moet de aanklager de Pre-Trial Chamber van het Strafhof de toelating vragen om onverwijld een onderzoek te starten. Als die besluit dat de aanklager van het Strafhof niet kan handelen op basis van de verklaring van de Palestijnse Autoriteit, dan heeft de Veiligheidsraad van de VN de mogelijkheid om de situatie aan de aanklager door te verwijzen.
Bovendien stelt Amnesty International dat alle staten onder het internationaal recht universele jurisdictie mogen uitoefenen over misdaden tegen het internationaal recht binnen het conflict. Dat kan zelfs ongeacht de bevindingen van de Commissie of de status van het onderzoek van het Strafhof. Individuele personen, tegen wie bewijs bestaat van betrokkenheid bij oorlogsmisdaden of andere ernstige schendingen van het internationaal recht, zouden moeten gearresteerd en berecht worden zodra zij het grondgebied van een staat betreden die universele jurisdictie uitoefent.
Achtergrond
Gedurende het 22 dagen durende conflict (van 27 december 2008 tot 18 januari 2009) werden ongeveer 1400 Palestijnen gedood, waaronder honderden burgers, en 13 Israëli’s, waaronder 3 burgers.
Het rapport van de Onderzoeksmissie geleid door de befaamde Zuid-Afrikaanse rechter Richard Goldstone werd gepubliceerd op 15 september 2009. Het rapport beschreef een hele reeks ernstige mensenrechtenschendingen door de Israëlische strijdkrachten: aanvallen op VN-gebouwen, op eigendommen van burgers, op infrastructuur en medische voorzieningen en personeel. Het vermeldde ook incidenten waarbij een groot aantal burgers werd gedood en verwond doordat de strijdkrachten zich roekeloos gedroegen, geen oog hadden voor het leven van burgers en geen onderscheid maakten tussen militaire en burgerdoelen.
De Onderzoeksmissie kloeg ook het willekeurig afvuren van raketten op het zuiden van Israël door Hamas en andere Palestijnse gewapende groepen aan als een oorlogsmisdaad.
De Mensenrechtenraad nam op 25 maart 2010 resolutie 13/9 aan. In deze resolutie vroeg de Mensenrechtenraad aan de Secretaris-generaal om een rapport voor te leggen bij haar 15de sessie (van 13 september tot 1 oktober 2010). Dit rapport zou weergeven hoever alle betrokken partijen intussen staan bij het realiseren van de aanbevelingen van de onderzoeksmissie.
De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten moest in augustus 2010 (op verzoek van de Secretaris-generaal) de documenten aan de Commissie van Deskundigen overmaken die de Israëlische en Palestijnse VN missies hem hadden gegeven i.v.m. hun eigen onderzoeken.
Het tweede opvolgingsrapport van de Secretaris-generaal aan de onderzoeksmissie bevatte geen materiaal van de de facto Hamas-regering. Het bevatte evenmin een degelijke evaluatie van de adequaatheid van de Israëlische en Palestijnse onderzoeken.




