Prof. Dr. Marleen Temmerman directeur van het nieuwe VN-agentschap UN Women?
Op 2 juli 2010 stemde stemde de Algemene Raad van de Verenigde Naties tijdens een historisch moment unaniem voor de oprichting van een nieuw vrouwenagentschap dat tegemoet moet komen aan de noden van vrouwen en meisjes wereldwijd.
Het VN-agentschap voor Gendergelijkheid en Empowerment van Vrouwen, ook wel gekend als UN Women, was eindelijk een feit. Gynaecologe en senator Prof. Dr. Marleen Temmerman werd door de Belgische regering voorgedragen om directeur te worden van het agentschap. We spraken met haar over haar carrière en de mogelijkheden die het nieuwe vrouwenagentschap biedt.
Hoe het begon..
A: Even een terugblik. Wat was de aanzet om Gynaecologie te gaan studeren?
M: De aanzet om ooit Geneeskunde te studeren, want daar begon het eigenlijk mee, gaat terug tot mijn prille tienerjaren. Ik wou in ontwikkelingslanden gaan werken. Dat was als kind bij mij al heel sterk aanwezig. Sociale ongelijkheden en onrechtvaardigheden hebben mij altijd zeer getroffen. Aanvankelijk zag ik er wel wat tegenop om Geneeskunde te gaan doen omdat dat zeer wetenschappelijk was. Ik deed dat graag, maar was er niet echt door gepassioneerd. Maar in de loop van die 7 jaar Geneeskunde interesseerde Gynaecologie mij hoe langer hoe meer omdat het een zeer gevarieerd vak is. Het heeft te maken met Verloskunde, meestal toch het blije en het vreugdevolle gebeuren, maar ook met Chirurgie en Interne Geneeskunde, bijvoorbeeld hormonen.
Bovenal heeft het echter te maken met de ziel van het vrouw-zijn, doorheen de verschillende levensfasen: het kind, het jonge meisje, de vrouw. Wat mijn keuze ook mee bepaald heeft, is het feit dat vrouwen toch steeds weer de sigaar zijn, meer dan mannen, van een heleboel onrechtvaardigheden. Aan die strijd voor vrouwengelijkheid wou ik een bijdrage leveren. Ik was een Dolle Mina. Jammer eigenlijk dat het zo’n negatieve connotatie heeft gekregen, want Dolle Mina’s zijn geen mannenhaatsters, integendeel. Zij willen wel strijden voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen: een gelijk loon en gelijke toegang tot onderwijs. En dat hadden we vroeger allemaal niet. In die zin vond ik Geneeskunde, en dan voornamelijk Gynaecologie, een mogelijkheid om me eventueel te profileren naar vrouwenrechten.
Naar het buitenland
A: U bent dan in de ontwikkelings-landen terechtgekomen, meer bepaald in Afrika?
M: Ja, eigenlijk ervoor al in Nicaragua. Ik wou Gynaecologie doen, maar werd niet aanvaard. Toen besloot ik als arts te gaan werken in Nicaragua. Dat was net na de Sandinistische Revolutie, in ’78 of ’79. We werkten allemaal voor niets. Overdag werkte je in de koffieplantage en ’s avonds voor de strijd tegen het analfabetisme: dan leerde je de kinderen en de Nicaraguanen lezen en schrijven. Dat was zeer boeiend, die grote campagne van de Sandinisten tegen de onwetendheid. Maar ik wou graag werken in een hogeschool, een vroedvrouwenschool of een universiteit omdat ik kennisoverdracht ook belangrijk vond: het opleiden van verpleegsters en vroedvrouwen. Dat was in die tijd in Nicaragua bijzonder moeilijk. De artsen waren weggevlucht uit de dorpen en de gemeenschappen. Zij zaten in de grote steden: Granada, San Juan del Sur, Managua. En men zocht idealisten die men kon uitsturen, ergens ten velde, om het werk te doen. Ik heb dat gedaan als stage. Daarna heb ik toch mijn opleiding Gynaecologie afgemaakt. Intussen zocht ik nog steeds een mogelijkheid om weg te gaan, maar minder actief. Tot Peter Piot me opbelde in ’86. Hij had een klein project in Naïrobi en vroeg of ik dat wou verderzetten. Zo ben ik in Kenia terechtgekomen.
Een eigen centrum
A: U hebt dan ook het onderzoekscentrum International Centre for Reproductive Health opgericht, als reactie op de Internationale Conferentie voor Bevolking en Ontwikkeling (ICPD) die in ’94 plaatshad in Caïro. Daar werden seksuele en reproductieve rechten erkend als een mensenrecht. Hebt u sindsdien veel zien veranderen?
M: Twee belangrijke evenementen lagen aan de oorsprong van de oprichting van het ICRH. Rond ’92 keerde ik met mijn gezin terug na een vijftal jaren in Kenia gewerkt te hebben. Samen met de Kenianen hadden we heel wat onderzoeksprojecten aan het rollen gebracht: naar HIV/AIDS, moedersterfte, familieplanning en vrouwenbesnijdenis. De Keniaanse collega’s wilden absoluut dat ik er verder bij betrokken bleef. Ik vond het geen goed idee dat alleen te doen onder de vorm van een eenmansproject. Tezelfdertijd werden rond die periode ‘seksuele and reproductieve rechten’ ook eindelijk als één geheel beschouwd: vrouwen, gezondheid en vrouwenrechten. Die twee tijdscharnieren hebben me er toe aangezet mensen te mobiliseren hier aan de universiteit en het UZ. Financieel was er geen geld, maar ik kreeg de morele steun om een centrum uit de grond te stampen. Vanaf het begin moest het gaan over HIV/AIDS en ‘seksuele en reproductieve gezondheid en rechten’, het moest multidisciplinair zijn en het moest kaderen binnen de Caïro- en de Beijing-principes. Centraal stonden onderzoek, onderwijs en dienstverlening: in eigen land, eigen streek, Europa, én in ontwikkelingslanden, voor kwetsbaardere groepen. Na de oprichting van ons eerste satellietcentrum in Kenia, kwam er een centrum in Mozambique en groeide er samenwerking met een aantal andere landen.
Hebben we een stempel kunnen drukken op een aantal dingen? Ja. In Kenia is homoseksualiteit bijvoorbeeld verboden. Dan moet je voornamelijk met de vlag van volksgezondheid op kop lopen, al komt die van de mensenrechten uiteraard altijd mee. Net als in de strijd voor abortus destijds kan het zijn dat je daar op morele of ethische redenen voor of tegen bent. Maar eigenlijk is de kern van de boodschap: het zijn mensen die omwille van hun menselijke waardigheid aandacht en zorg nodig hebben zoals iedereen, dat is een mensenrecht. Bovendien spelen zij, onder andere, een belangrijke rol in het verspreiden van de AIDS-epidemie. We moeten ervoor zorgen dat die doelgroep toegang heeft tot gezondheidszorg, preventie en voorlichting. Het feit dat de ‘Provincial Medical Officer of Health’, als vertegenwoordiger van de Keniaanse regering, datzelfde discours bracht op een belangrijke dag in Mombasa, is zeer belangrijk. Wij veranderen niet alléen de wereld, maar we zijn een deel van dat discours. Is er in die 15 jaar veel veranderd? Ja, ten goede en ten kwade. Voor vrouwenrechten is er in elk geval nog veel werk aan de winkel.
Politieke loopbaan
A: U bent ook politiek actief. Is het belangrijk op die drie terreinen te werken: praktijk, onderzoek en beleid?
M: Ja, ik voel mij daar goed bij. Toen men mij vroeg om in de politiek te gaan heb ik gezegd dat ik mijn werk aan de universiteit niet wou laten staan. Uiteraard heb ik van mijn andere taken veel verminderd en afgegeven, maar ik probeer dat nog altijd gedeeltelijk te doen. De reden waarom ik in de politiek stapte, was omdat het een brug vormt. Er moeten mensen zijn die vanuit de realiteit en vanuit het veld iets kunnen bijbrengen aan de politiek. En ik wil alleen iets doen op die terreinen waar ik denk dat ik iets kan bijbrengen: gezondheidszorg, sociale zaken, ontwikkelingssamenwerking, en vrouwenrechten. Op die vlakken kan ik iets meer bijbrengen dan mijn collega’s denk ik. Dat is ook mijn reden om aan politiek te doen.
Directeur van UN Women?
A: Men heeft u nu voorgedragen om directeur te worden van het nieuwe Vrouwenagentschap van de VN. Wat verwacht u van het agentschap?
M: Ik denk dat het een belangrijke stap is. Men heeft twee jaar voorbereid om een Vrouwenagentschap te maken binnen de VN. Dat toont aan dat ook de VN beseft dat er nog heel wat moet gebeuren om vrouwen een beter leven te geven op deze wereld, dat er nog heel wat problemen zijn waarvan vrouwen specifiek het slachtoffer zijn. Er is al UNIFEM, en enkele kleinere organisaties binnen de UN die zich met vrouwen bezig houden. Maar men wil het op een hoger niveau brengen, meer slagkracht geven: meer budget, meer zichtbaarheid en hopelijk ook meer invloed. Dat is het belangrijkste. Dat ik daarvoor voorgedragen ben vind ik heel goed, maar mijn kansen zijn ongeveer nihil. De Secretaris-Generaal heeft nu beslist dat het een vrouw uit het Zuiden wordt. En eigenlijk is dat maar goed ook.
Ik heb mijn kandidatuur laten voordragen omdat het een maand geleden minder duidelijk was dat het echt een vrouw uit het Zuiden moest zijn. Wij hoopten allemaal op Michelle Bachelet, de ex-presidente van Chili. Zij heeft heel haar leven gewerkt voor vrouwengezondheid en vrouwenrechten, en heeft heel wat politieke ervaring. Maar ze wil opkomen voor de presidentsverkiezingen in Chili. Verder denk ik dat men er toch over moet waken dat het echt een agentschap wordt met slagkracht. Als het echt iets kan doen aan familieplanning, vrouwenrechten en moedersterfte, als het vrouwenverminking de wereld kan uithelpen, dan denk ik dat het een belangrijk agentschap kan zijn. Dat mijn kansen om directeur te worden zeer gering zijn, betekent niet dat ik er niet aan kan meewerken. Gans ons centrum trouwens. Het feit dat ik nu voorgedragen word, vloeit voort uit het vele werk dat we hier hebben kunnen doen. Ik trek aan de kar, maar het is het werk van velen. Zo moet dat ook zijn denk ik.
A: Bedankt en succes toch met uw kandidatuur en met uw andere projecten!










